ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8862
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf en toepassing Koppelingswet
Appellante, een Senegalese nationaliteit houdende vrouw, diende meerdere aanvragen in voor een verblijfsvergunning en bijstandsuitkering in Nederland. Haar aanvragen werden afgewezen op grond van het feit dat zij niet rechtmatig in Nederland verbleef en niet met een Nederlander kon worden gelijkgesteld volgens de Algemene bijstandswet (Abw) en de Koppelingswet.
De Raad heeft beoordeeld of de afwijzing van de bijstandsuitkering in strijd was met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (IVBPR). Gezien het feit dat appellante niet viel onder de beschermde categorieën van vreemdelingen en haar verworven rechtspositie was beëindigd, oordeelde de Raad dat de weigering niet in strijd was met artikel 26 IVBPR Pro.
Verder verwierp de Raad de uitleg van appellante omtrent de circulaire van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarin werd gesteld dat zij aanspraak kon maken op bijstand. De Raad bevestigde dat aanvragen na 1 juli 1998, zoals die van appellante, moeten worden afgehandeld volgens de geldende regelgeving en eerdere uitspraken.
De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd en er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf en toepassing van de Koppelingswet.