ECLI:NL:CRVB:2004:AR6161
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving van 1 augustus 1994 tot 1 mei 1996 een bijstandsuitkering van de gemeente Breda. Naar aanleiding van een tip dat zij niet in Breda woonde, stelde het Regionaal Instituut Bijzonder Onderzoek een onderzoek in. Dit leidde tot het besluit van 6 augustus 1999 om de bijstand over die periode in te trekken en terug te vorderen.
De rechtbank Breda vernietigde het eerste besluit omdat onvoldoende was vastgesteld dat appellante niet in Breda woonde. Na een nieuw besluit op bezwaar, waarin werd gesteld dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door niet te melden dat zij in België woonde, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Appellante ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad oordeelt dat appellante terecht is aangesproken op het niet nakomen van haar inlichtingenverplichting, waardoor niet kan worden vastgesteld of zij recht had op bijstand. De Raad wijst het verweer af dat appellante opnieuw had moeten worden gehoord en constateert dat de termijn voor het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar was overschreden, maar dat dit geen gevolgen heeft. Ook zijn geen dringende redenen voor kwijtschelding van terugvordering aanwezig. De Raad bevestigt het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting.