ECLI:NL:CRVB:2004:AR6891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstandskosten na afkoop alimentatieverplichtingen
Appellante ontving bijstand wegens niet-nakoming van alimentatieverplichtingen door haar ex-echtgenoot. Na een dadingsovereenkomst ontving zij een afkoopbedrag van f 60.000,-- voor achterstallige alimentatie over de periode 25 april 1991 tot 1 januari 1995. Gedaagde vorderde daarop de gemaakte kosten van bijstand terug over de periode 1 augustus 1992 tot 31 december 1994. Appellante stelde dat het afkoopbedrag alleen betrekking had op de oudste alimentatietermijnen vóór 1 augustus 1992, buiten de terugvorderingsperiode.
De Raad oordeelde dat de tekst van de dadingsovereenkomst geen steun biedt voor deze toerekening aan de oudste termijnen. Het bedrag moet worden gezien als inkomen dat betrekking heeft op de gehele periode tot 1 januari 1995. De terugvordering van de bijstandskosten over de periode 1 augustus 1992 tot 31 december 1994 is daarom gerechtvaardigd volgens artikel 58, tweede lid, van de ABW.
Appellante voerde aan dat er dringende redenen waren om af te zien van terugvordering, zoals het niet verhalen op de ex-echtgenoot en de lange termijn voordat gedaagde tot terugvordering overging. De Raad verwierp deze argumenten en bevestigde dat gedaagde bevoegd was tot terugvordering. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, waarbij de terugvordering over de periode 1 juli 1996 tot 27 augustus 1996 niet langer in geschil was.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstandskosten over de periode 1 augustus 1992 tot 31 december 1994.