ECLI:NL:CRVB:2005:AS3134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellant en zijn echtgenote ontvingen vanaf 19 oktober 1994 een uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW), later omgezet in een Algemene bijstandswet (Abw)-uitkering. Na onderzoek door sociale recherche en FIOD bleek dat zij na overdracht van hun kledingzaak aan hun dochter de werkzaamheden voortzetten zonder dit te melden, wat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekkings- en terugvorderingsbesluiten ongegrond. Appellant voerde onder meer aan dat hij een andere uitkering had beoogd en dat de zesmaanden-jurisprudentie van toepassing was. De Raad stelt vast dat de RWW-uitkering terecht is toegekend en dat sprake is van schending van de inlichtingenplicht doordat werkzaamheden en inkomsten niet zijn gemeld.
De Raad oordeelt dat de intrekking en terugvordering terecht zijn, maar vernietigt het besluit voor de periode van 1 januari 1996 tot 1 februari 1997 omdat de Abw pas vanaf 1 januari 1996 van toepassing was. Dringende redenen om van terugvordering af te zien zijn niet gebleken. De proceskosten worden toegewezen aan appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd voor de periode 1 januari 1996 tot 1 februari 1997 en bevestigd voor de overige perioden.