ECLI:NL:CRVB:2005:AS5587
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering bij bereiken 65-jarige leeftijd niet in strijd met internationale verdragen
Appellant, die arbeidsongeschikt raakte door een arbeidsongeval, ontving sinds 1967 een WAO-uitkering. Deze uitkering en de toeslag daarop werden per 1 juni 1997 ingetrokken omdat appellant de leeftijd van 65 jaar bereikte. Appellant stelde dat deze intrekking in strijd was met internationale verdragen, waaronder IAO-verdrag 121 en 128, het Europees Sociaal Handvest, en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de intrekking niet in strijd was met genoemde verdragen, mits de ouderdomspensioenen voldoen aan de minimumnormen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overwoog dat IAO-verdrag 121 niet verbiedt om een arbeidsongeschiktheidsuitkering in te trekken bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, mits de uitkeringssituatie daarna in overeenstemming is met het verdrag.
Verder oordeelde de Raad dat appellant geen aanspraak kon maken op een blijvende uitkering conform de verdragsnormen, mede omdat hij niet voldeed aan de modelgerechtigdecriteria en zijn arbeidsongeschiktheid niet als volledig verlies van verdiencapaciteit kon worden gekwalificeerd. Ook het beroep op het eigendomsrecht en het rechtszekerheidsbeginsel werd verworpen, omdat appellant adequaat was gecompenseerd met een afkoopsom en het vooruitzicht op intrekking van de uitkering reeds bestond.
Tot slot wees de Raad het beroep op het Europees Sociaal Handvest af, omdat dit geen direct afdwingbare rechten voor burgers bevat. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering bij het bereiken van 65 jaar wordt bevestigd en is niet in strijd met internationale verdragen.