ECLI:NL:CRVB:2005:AT5227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt afwijzing bijstandsuitkering vreemdeling wegens onjuiste gelijkstelling met Nederlander
Appellante, van Pakistaanse nationaliteit, had een voorwaardelijke verblijfsvergunning die tot januari 1998 liep. Zij vroeg tijdig voortgezette toelating aan, maar haar verzoek werd afgewezen. Tegen deze afwijzing stelde zij bezwaar en beroep in, die nog in behandeling waren toen zij bijstand aanvroeg.
De gemeente Rotterdam wees de bijstandsaanvraag af omdat zij niet als vreemdeling met een Nederlander werd gelijkgesteld volgens artikel 7 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw). De rechtbank bevestigde deze afwijzing, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders.
De Raad stelde vast dat appellante tijdig om voortgezette toelating had verzocht en dat de besluiten op bezwaar en beroep nog niet onherroepelijk waren. Daarmee voldeed zij aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander volgens de Abw en het Besluit gelijkstelling. Het besluit van de gemeente was daarom in strijd met de wet.
De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en beval de gemeente een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens veroordeelde de Raad de gemeente in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van 19 maart 2002 wordt vernietigd wegens strijd met de wet.