ECLI:NL:CRVB:2011:BU5036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Appellante, met de Marokkaanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die in mei 2009 verliep. Haar aanvraag tot voortgezet verblijf werd afgewezen en haar eerdere vergunning werd met terugwerkende kracht ingetrokken vanwege het verzwegen huwelijk in Marokko. Gedurende de periode van 22 januari tot 30 juni 2009 had zij geen rechtmatig verblijf en vroeg zij bijstand aan op grond van de WWB.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gelijkstelling met een Nederlander in de zin van artikel 11, lid 3, WWB, eindigt zodra het rechtmatig verblijf eindigt. Appellante kon daarom niet worden gelijkgesteld met een Nederlander gedurende de periode waarin zij geen rechtmatig verblijf had, ondanks dat haar verblijfsprocedure nog liep.
De Raad verwierp het betoog dat het onderscheid tussen vreemdelingen met en zonder rechtmatig verblijf tijdens de beroepsprocedure een verboden onderscheid vormt. Dit omdat vreemdelingen in asielprocedures en reguliere verblijfsprocedures niet in gelijke gevallen zijn, mede vanwege verschillen in rechtmatig verblijf tijdens bezwaar- en beroepsfasen.
De aangevallen uitspraak van de voorzieningenrechter werd bevestigd en het hoger beroep van appellante werd afgewezen. Er werden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag bijstand is afgewezen omdat appellante geen rechtmatig verblijf had gedurende de beoordelingsperiode.