ECLI:NL:CRVB:2005:AT7491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mindering FPU-uitkering op WW-uitkering bij nevenwerkzaamheden
Appellant, geboren in 1939, was jarenlang in dienst bij de gemeente Tiel en werd per 1 januari 1996 op non-actief gesteld met behoud van 75% salaris tot zijn 61e jaar. Vanaf 31 maart 1996 trad hij in dienst bij een taxibedrijf. Bij het bereiken van 61 jaar maakte appellant gebruik van een Flexibele Pensioen- en Uittredingsregeling (FPU) van de gemeente Tiel, waaruit een periodieke uitkering voortvloeide.
De uitkeringsinstantie (Uwv) besloot de WW-uitkering vanaf 31 augustus 1998 te beëindigen omdat appellant toen al een volledig salaris van de gemeente ontving. Na bezwaar werd bepaald dat de FPU-uitkering vanaf 1 augustus 2000 volledig op de WW-uitkering in mindering moest worden gebracht, waardoor de WW-uitkering niet werd uitgekeerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de FPU-uitkering als ouderdomspensioen moet worden beschouwd, maar dat de uitzondering in artikel 34, zevende lid, WW niet van toepassing is omdat appellant zijn dienstbetrekking bij de gemeente niet meer vervulde na de non-actiefstelling. De Raad vond geen bewijs dat appellant feitelijk werkzaamheden bleef verrichten of dat de dienstbetrekking naast de taxidienstbetrekking werd vervuld. Daarom is de mindering op de WW-uitkering terecht.
De Raad bevestigde het bestreden vonnis en veroordeelde geen partij in de proceskosten.
Uitkomst: De FPU-uitkering wordt terecht volledig in mindering gebracht op de WW-uitkering van appellant.