ECLI:NL:CRVB:2020:374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Inkomsten uit ouderdomspensioen mogen in mindering worden gebracht op WW-uitkering
Betrokkene was vanaf 1974 werkzaam bij de politie en kreeg in 2007 ontslag, dat in 2009 met terugwerkende kracht werd ingetrokken. Vanaf 2009 was hij vrijgesteld van werkzaamheden bij de politie en ging hij werken bij een andere stichting. Vanaf 2012 ontving hij een FPU-pensioen van het ABP. Na beëindiging van zijn dienstverband bij de stichting in 2017 vroeg hij een WW-uitkering aan. Het UWV bracht de pensioeninkomsten in mindering op de WW-uitkering omdat de dienstbetrekkingen niet naast elkaar werden vervuld zoals bedoeld in artikel 3:5, zevende lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB).
De rechtbank had het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard en het besluit van het UWV vernietigd, stellende dat betrokkene de dienstbetrekkingen wel naast elkaar vervulde omdat hij formeel nog in dienst was bij de politie en zijn salaris ontving. Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat betrokkene feitelijk geen verplichting had om bij de politie te werken omdat hij was vrijgesteld en dat de uitzondering in artikel 3:5, zevende lid, restrictief moet worden uitgelegd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat betrokkene de dienstbetrekkingen niet naast elkaar heeft vervuld omdat hij vanaf 2009 geen arbeid meer hoefde te verrichten bij de politie. De uitzondering in artikel 3:5, zevende lid, is niet van toepassing. Ook de latere wijziging van dit artikel per 1 mei 2018 heeft geen terugwerkende kracht. Daarom is het beroep van het UWV gegrond en wordt het beroep van betrokkene ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het UWV mocht het FPU-pensioen in mindering brengen op de WW-uitkering.