Betrokkene was vanaf 1981 tot 2000 voltijds werkzaam bij Stichting en werkte daarna deels bij Stichting en deels bij een ander bedrijf. Zij vroeg vervroegd prepensioen aan dat zij vanaf 2014 ontving. Na het einde van haar dienstverband bij het tweede bedrijf ontving zij een WW-uitkering waarop het prepensioen in mindering werd gebracht. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze korting, waarop de rechtbank haar gelijk gaf omdat zij vond dat de prepensioenuitkering niet mocht worden verrekend vanwege het naast elkaar vervullen van dienstbetrekkingen.
De Raad oordeelt dat de uitzondering in artikel 3:5, tweede lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) restrictief moet worden uitgelegd. De uitzondering geldt alleen als het prepensioen betrekking heeft op een dienstbetrekking die op enig moment naast de WW-dienstbetrekking werd vervuld en ter compensatie van een verlies aan arbeidsuren uit die dienstbetrekking is. In dit geval had betrokkene vanaf 2001 haar verlies aan arbeidsuren gecompenseerd en ontving zij het prepensioen pas in 2014, niet ter compensatie van eerder verlies.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het besluit van het UWV ongegrond. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat er geen ondubbelzinnige toezegging is gedaan. De Raad wijst ook het verzoek om wettelijke rente af en veroordeelt partijen niet in de proceskosten.