ECLI:NL:CRVB:2005:AT7628
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op halfwezenuitkering bij niet-erkend biologisch vaderschap
Appellante, moeder van vier kinderen uit een lat-relatie met de overleden [partner], vordert een halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank weigerde deze uitkering omdat de kinderen niet erkend zijn door [partner] en het vaderschap niet gerechtelijk is vastgesteld.
De Raad overweegt dat volgens het Nederlandse personen- en familierecht alleen wettige, gewettigde of erkende kinderen als halfwezen kunnen worden aangemerkt. Biologisch vaderschap zonder erkenning of gerechtelijke vaststelling is onvoldoende.
Appellante betoogt dat het biologische vaderschap voldoende moet zijn, mede gelet op artikel 14 EVRM Pro (verbod op discriminatie). De Raad oordeelt echter dat het onderscheid gerechtvaardigd is omdat er een mogelijkheid bestaat om het vaderschap alsnog gerechtelijk vast te stellen, ook na overlijden, waardoor het verschil in behandeling kan worden opgeheven.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding proceskosten toe te kennen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de halfwezenuitkering wordt bevestigd.