ECLI:NL:CRVB:2005:AT9540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over intrekking Wajong-uitkering bij verblijf in andere lidstaat met arbeid in Nederland
De zaak betreft een appellant met een lichte verstandelijke handicap die sinds 1993 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, omgezet in een Wajong-uitkering. Na verhuizing naar België in 1999 werd zijn Wajong-uitkering ingetrokken omdat hij buiten Nederland ging wonen, ondanks dat hij in Nederland bleef werken.
De Raad van Bestuur van het UWV handhaafde dit besluit. De appellant voerde bezwaar en beroep aan, waarbij de rechtbank Amsterdam prejudiciële vragen stelde aan het Hof van Justitie over de rechtmatigheid van intrekking van Wajong-uitkeringen bij verhuizing naar andere lidstaten.
De Centrale Raad voegt aan deze vragen toe of, gegeven dat appellant in Nederland blijft werken, hij zich kan beroepen op Europese verordeningen nr. 1612/68 en 1408/71, en of de woonplaatseis voor Wajong-uitkeringen gerechtvaardigd is. De Raad vraagt het Hof om prejudiciële beslissingen over de toepassing van deze verordeningen en het vrije verkeer van werknemers binnen de EU.
De zaak raakt aan de coördinatie van sociale zekerheidsuitkeringen, het begrip bijzondere niet-premiegebonden prestaties, en de verhouding tussen nationale regelgeving en EU-recht. De Raad vraagt tevens of de woonplaatseis voor Wajong-uitkeringen verenigbaar is met het EU-recht wanneer de werknemer in Nederland werkt maar in een andere lidstaat woont.
De Raad legt de behandeling aan het Hof voor en schorst de verdere behandeling van het geding totdat het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: De behandeling van het geding wordt aangehouden in afwachting van prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie over de toepassing van EU-regelgeving op de intrekking van de Wajong-uitkering.