ECLI:NL:CRVB:2013:CA1700
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Ouderdomspensioen in mindering op WW-uitkering bevestigd door Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam bij twee werkgevers in opeenvolgende dienstverbanden en ontving een ouderdomspensioen uit het eerdere dienstverband. Na beëindiging van haar laatste dienstverband werd haar een WW-uitkering toegekend, waarbij het pensioen in mindering werd gebracht op de uitkering conform artikel 34 van Pro de Werkloosheidswet (WW).
Appellante maakte bezwaar tegen deze korting en voerde aan dat dit in strijd was met internationale verdragen zoals het EVRM en het IVBPR, alsmede met het gelijkheidsbeginsel van de Grondwet. Zij stelde dat er ongerechtvaardigd onderscheid werd gemaakt tussen situaties met meerdere gelijktijdige dienstverbanden en situaties met pensioenuitkeringen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad overwoog dat de uitzondering in artikel 34, zevende lid, WW niet van toepassing is omdat appellante de dienstbetrekkingen niet naast elkaar vervulde. Het beroep op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM faalde omdat de aanspraak op WW-uitkering niet als een bestaand eigendomsrecht kan worden aangemerkt. Ook toetsing aan artikel 1 van Pro de Grondwet is niet toegestaan vanwege artikel 120 Gw Pro.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot pensioeninkorting op de WW-uitkering wordt bevestigd.