ECLI:NL:CRVB:2005:AU4516
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum bijstandsuitkering en bijzondere omstandigheden bij eerdere toekenning
Appellante vroeg bijstand aan met een aanvraag van november 2001, die buiten behandeling werd gesteld wegens het niet aanleveren van aanvullende gegevens. Op 24 juli 2002 meldde zij zich opnieuw bij het CWI en kreeg bijstand toegekend vanaf die datum. De gemeente weigerde de bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen, ook na bezwaar en beroep bij de rechtbank.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat volgens vaste rechtspraak bijstand in beginsel niet wordt verleend vóór de datum van melding bij het CWI, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De Raad stelt dat artikel 68a Abw dit uitgangspunt niet fundamenteel verandert, maar dat bij bijzondere omstandigheden wel een eerdere ingangsdatum mogelijk is.
Appellante voerde medische redenen aan om eerder bijstand te verkrijgen, ondersteund door verklaringen van huisarts en psychiater. De Raad acht deze medische gegevens onvoldoende om te concluderen dat zij vóór 24 juli 2002 niet in staat was een aanvraag te doen. Bovendien had zij een derde kunnen inschakelen voor de aanvraag. Omdat geen bijzondere omstandigheden zijn vastgesteld, is de ingangsdatum van 24 juli 2002 terecht vastgesteld.
De Raad vernietigt daarom de eerdere uitspraak en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt bepaald dat de gemeente het betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.
Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstandsuitkering wordt bevestigd op de datum van eerste melding bij het CWI, zonder terugwerkende kracht.