ECLI:NL:CRVB:2005:AU5076

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4736 NABW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 113 AbwArt. 107 AbwArt. 6 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ontheffing arbeidsinschakelingsverplichtingen bij bijstandsuitkering

Appellante ontvangt sinds 1992 een bijstandsuitkering en verzocht om een volledige en onbepaalde ontheffing van de arbeidsinschakelingsverplichtingen. De gemeente baseerde haar besluiten op medisch en arbeidskundig onderzoek door Aob. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat door de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd.

De Raad oordeelde dat de gemeente zorgvuldig heeft gehandeld door te vertrouwen op de adviezen van verzekeringsartsen en Aob, zonder dat nader medisch onderzoek noodzakelijk was. Appellante had geen objectieve medische gegevens overgelegd die de bevindingen van deze artsen tegenspraken. Ook het beroep op het recht op een onafhankelijk medisch onderzoek en de verwijzing naar artikel 6 EVRM Pro werden verworpen.

Verder stelde appellante dat zij mantelzorg verleent aan haar echtgenoot, wat een ontheffing zou rechtvaardigen. De Raad vond de onderbouwing hiervoor onvoldoende, mede omdat professionele thuiszorg recent was aangevraagd. Ook was het niet onzorgvuldig van de gemeente om geen huisbezoek af te leggen.

De Raad bevestigde het besluit van 21 oktober 2003 waarin appellante geschikt werd geacht passend werk te aanvaarden met een beperking van 20 arbeidsuren per week. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van volledige ontheffing arbeidsinschakelingsverplichtingen wordt bevestigd.

Uitspraak

04/4736 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. D. Matadien, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juli 2004, reg. nr. NABW 03/3559.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 6 september 2005, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. H.G.A.M. Halfers, kantoorgenoot van mr. Matadien, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Bruggemann, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontvangt van gedaagde sedert 1 januari 1992 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.
Bij besluit van 8 juli 2002 heeft gedaagde aan appellante de verplichtingen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw opgelegd. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat aan appellante van deze verplichtingen geen ontheffing wordt verleend.
Bij besluit van 17 januari 2003 heeft gedaagde appellante ingaande 3 december 2002 voor de duur van 6 maanden van de hiervoor bedoelde verplichtingen ontheven.
Aan de besluiten van 8 juli 2002 en 17 januari 2003 liggen ten grondslag de resultaten van door het bureau Adviseurs opleiding en beroep (hierna: Aob) verricht medisch en arbeidskundig onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden van appellante.
Gedaagde heeft de tegen de besluiten van 8 juli 2002 en 17 januari 2003 gemaakte bezwaren bij besluit van 21 oktober 2003 ongegrond verklaard, met dien verstande dat appellante geschikt wordt geacht passend werk op de arbeidsmarkt te aanvaarden, maar dat haar arbeidsuren vanwege haar verminderde energie dienen te worden beperkt tot
20 uren per week/4 uren per dag. Aan dit besluit ligt mede ten grondslag een nader advies van Aob.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
21 oktober 2003 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In artikel 113, eerste lid, van de Abw zijn de verplichtingen opgenomen die gelden voor de belanghebbende die voor de zelfstandige bestaansvoorziening is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking. Artikel 107, eerste lid, van de Abw biedt de mogelijkheid deze verplichtingen niet op te leggen, dan wel van die verplichtingen tijdelijk ontheffing te verlenen, in gevallen waarin daartoe naar het oordeel van burgemeester en wethouders aanleiding bestaat om redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand
Appellante beoogt met haar hoger beroep verkrijging van een volledige en in tijdsduur onbepaalde ontheffing van de verplichtingen als bedoeld in artikel 113 van Pro de Abw.
Daartoe heeft zij in de eerste plaats aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar medische beperkingen. De Raad volgt haar daarin niet. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde zijn besluitvorming heeft kunnen en mogen baseren op de adviezen van Aob. Ook de Raad is niet is gebleken dat deze adviezen wat betreft de wijze van totstandkoming of hun inhoud niet deugdelijk zijn.
Anders dan appellante stelt, heeft het naar het oordeel van de Raad niet op de weg van gedaagde gelegen om nader medisch onderzoek bij appellante te doen verrichten. In de bezwaarfase heeft appellante geen medische gegevens overgelegd die aanleiding geven voor twijfel aan de bevindingen van de drie verzekeringsartsen die over appellante hebben gerapporteerd. Voorts neemt de Raad in dit verband in aanmerking dat uit de door deze artsen ingewonnen inlichtingen bij de huisarts van appellante niet blijkt van bevindingen van de behandelende sector die tegengesteld zijn aan de bevindingen van de verzekeringsartsen.
Ook in beroep en in hoger beroep heeft appellante haar stelling dat zij meer medische beperkingen heeft dan gedaagde heeft aangenomen niet met objectieve medische gegevens onderbouwd. Appellante heeft in dit verband aangevoerd dat zij vanwege haar persoonlijke omstandigheden, waaronder financiële, niet in staat is om zich op eigen kosten te laten onderzoeken door een onafhankelijke medisch specialist, waardoor zij geen eerlijke kans heeft gekregen in deze procedure, hetgeen volgens haar - wegens strijd met de rechtsbeginselen van fair trial en equality of arms - schending van artikel 6 van Pro het EVRM oplevert. Deze grief treft geen doel. In een procedure als hier aan de orde kan de betrokkene zijn eigen mening over zijn medische beperkingen in de eerste plaats (trachten te) onderbouwen met een verklaring van de huisarts of een andere behandelend arts, waaraan doorgaans geen of weinig kosten zijn verbonden. Appellante heeft evenwel van dit - ook aan haar in beginsel ten dienste staande - middel geen gebruik gemaakt.
Ter zitting van de Raad is van de kant van appellante gewezen op haar recente opname in een ziekenhuis wegens psychiatrische problematiek. Dit kan echter aan het voorgaande niet afdoen, aangezien in de voorhanden zijnde gegevens niet naar voren komt dat reeds tijdens de hier in geding zijnde periode sprake was van psychische beperkingen van appellante.
Ten slotte stelt appellante dat aan haar de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling niet kunnen worden opgelegd omdat zij beschikbaar moet zijn voor het verlenen van mantelzorg aan haar echtgenoot. Uit de gedingstukken blijkt weliswaar dat de echtgenoot van appellante als gevolg van medische problematiek beperkingen ondervindt in het gebruik van zijn handen, maar naar het oordeel van de Raad heeft appellante volstrekt onvoldoende onderbouwd dat zij als gevolg daarvan aan haar echtgenoot zodanige dagelijkse en voortdurende zorg moest bieden dat zij geheel moest worden ontheven van de hiervoor bedoelde verplichtingen. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat appellante - zo heeft zij ter zitting meegedeeld - pas zeer onlangs een aanvraag tot het verlenen van professionele thuiszorg heeft gedaan.
Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de Raad geen grondslag voor de stelling van appellante dat gedaagde uit een oogpunt van zorgvuldigheid niet tot weigering van de gevraagde ontheffing van de verplichtingen gericht op de arbeidsinschakeling had mogen komen zonder het afleggen van een huisbezoek bij appellante.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham als voorzitter, en mr. C. van Viegen en
mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2005.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) R.C. Visser.