ECLI:NL:CRVB:2005:AU5798
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting op AOW-pensioen wegens niet-verzekerde huwelijkse tijdvakken
Appellante, met Marokkaanse nationaliteit, betwistte de korting op haar AOW-pensioen voor tijdvakken waarin zij niet verplicht verzekerd was, met name de periode van 1 januari 1957 tot 1 juli 1985 en 1 januari 2000 tot 1 juli 2002. Het geschil betreft de toepassing van artikel 21 van Pro het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko.
De Raad oordeelt dat de korting terecht is toegepast, omdat het verdrag en de beleidsmatige toepassing ervan geen zelfstandig recht op pensioen aan de vrouw toekennen voor tijdvakken waarin haar echtgenoot verzekerd was, tenzij het huwelijk voortduurde. De wijziging van het verdrag die dit zou veranderen, was ten tijde van het geschil nog niet in werking getreden.
Verder wordt het beroep verworpen dat de korting een inbreuk op het eigendomsrecht vormt en dat er sprake zou zijn van discriminatie op grond van status. De Raad stelt dat er geen sprake is van een ontneming van eigendom en dat het beleid een rechtvaardigingsgrond heeft. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting op het AOW-pensioen en wijst het hoger beroep van appellante af.