ECLI:NL:CRVB:2006:AX3747
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling uren arbeid en beschikbaarheid tijdens opleiding in WW- en ZW-uitkering
Betrokkene ontving sinds juli 2000 een WW-uitkering en werkte vanaf maart 2002 als kok in een restaurant. Het UWV beëindigde de WW-uitkering en verleende een ZW-uitkering wegens ziekte, maar trok later beide uitkeringen met terugwerkende kracht in en vorderde onterecht betaalde bedragen terug.
De rechtbank vernietigde deze besluiten omdat het UWV onvoldoende had onderbouwd dat betrokkene 33 uur per week werkte; de rechtbank stelde een werkweek van 24 uur vast. De Raad bevestigt dat betrokkene meer uren werkte dan opgegeven, ook buiten de keuken en tijdens aanwezigheid in het restaurant, en dat de uren wachten op klanten als arbeid gelden.
De Raad oordeelt dat de uren besteed aan een beveiligingsopleiding niet zonder meer tot uitsluiting van WW-recht leiden, behalve tijdens intern verblijf en examendagen. Het UWV had onvoldoende gemotiveerd waarom alle opleidingsuren op de uitkering in mindering moesten worden gebracht.
Het UWV trok het hoger beroep in voor de intrekking van de WW- en ZW-uitkeringen, waardoor alleen de urenkwestie bleef. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank onder verbetering van gronden en veroordeelt het UWV tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat betrokkene meer uren werkte dan opgegeven en dat het UWV nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming hiervan.