ECLI:NL:CRVB:2006:AX9703
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing beroep op non-discriminatie bij vaststelling nabestaandenuitkering ANW
Appellante, geboren in 1934, diende na het overlijden van haar echtgenoot in 1996 een aanvraag in voor een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde de uitkering vast met inachtneming van het Inkomens- en samenloopbesluit ANW, waarbij het inkomen van appellante in mindering werd gebracht. Haar bezwaar tegen deze vaststelling werd door de Svb en de rechtbank ongegrond verklaard.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij ongelijk werd behandeld ten opzichte van vrouwen wier echtgenoot vóór 1 juli 1996 was overleden, en deed zij een beroep op non-discriminatiebepalingen uit artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro. Zij stelde dat zij door haar leeftijd en de ziekte van haar echtgenoot niet de mogelijkheid had gehad een particuliere pensioenvoorziening te treffen, in tegenstelling tot nabestaanden die na de invoering van de ANW werden geconfronteerd met het overlijden van hun partner.
De Raad oordeelde dat appellante niet in dezelfde omstandigheden verkeert als voormalige AWW-gerechtigden en dat het onderscheid niet in strijd is met het discriminatieverbod. De Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd vastgesteld dat wetswijzigingen met terugwerkende kracht niet per definitie discriminatoir zijn. Tevens werd geoordeeld dat appellante geen aanspraak had op een te eerbiedigen recht op nabestaandenuitkering onder de oude wetgeving.
Het beroep op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 6 EVRM Pro werd eveneens verworpen, waarbij werd gewezen op eerdere uitspraken waarin het wachten op een uitspraak van de Raad in vergelijkbare zaken niet in strijd was met het recht op een eerlijk proces. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Tot slot overwoog de Raad dat de wetgever bewust heeft gekozen geen bijzondere regeling te treffen voor onverzekerbaren zoals appellantes echtgenoot, en dat de specifieke overgangsregeling voor voormalige AWW-gerechtigden een afweging van de wetgever weerspiegelt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de vastgestelde nabestaandenuitkering conform de ANW niet leidt tot verboden discriminatie en wijst het beroep van appellante af.