ECLI:NL:CRVB:2006:AY0789
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande, terwijl hij feitelijk een gezamenlijke huishouding voerde met [betrokkene], die een uitkering ontving als alleenstaande ouder. Na onderzoek door het bureau Fraudebestrijding, waarbij meterstanden en observaties werden gebruikt, concludeerde het bestuur dat appellant niet op zijn opgegeven adres verbleef en introk de bijstand over de periode 5 juli 2001 tot en met 31 oktober 2003.
De rechtbank vernietigde de terugvordering wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond. Appellant ging in hoger beroep en betwistte de gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelde dat de intrekking op een onjuiste wettelijke grondslag berustte en vernietigde dit deel van het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat vaststond dat er sprake was van gezamenlijke huishouding.
De Raad bevestigde dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door dit niet te melden en dat het bestuur bevoegd was tot intrekking en terugvordering op grond van de WWB. De terugvordering werd gehandhaafd en het bestuur werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd, de terugvordering gehandhaafd en het bestuur veroordeeld in proceskosten.