ECLI:NL:CRVB:2006:AY9003
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellanten betwistten het besluit van het College van burgemeester en wethouders van Terneuzen waarbij de bijstandsuitkering van appellante werd ingetrokken en teruggevorderd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant. De rechtbank Middelburg vernietigde het besluit wegens een onjuiste wettelijke grondslag, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond dat appellanten vanaf 1 december 2002 gezamenlijk hoofdverblijf hielden, maar wel dat dit het geval was van 1 januari 2003 tot 30 september 2003.
De Raad stelde vast dat appellante in strijd met haar inlichtingenplicht geen melding had gedaan van de gezamenlijke huishouding, waardoor het College bevoegd was de bijstand over die periode in te trekken en terug te vorderen. Ook was het College bevoegd om de kosten mede van appellant terug te vorderen. De Raad vernietigde het bestreden vonnis voor zover het de rechtsgevolgen in stand liet en bepaalde dat het College opnieuw moet beslissen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelde de Raad het College in de proceskosten van appellanten en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak benadrukt het belang van objectieve bewijsvoering bij het vaststellen van een gezamenlijke huishouding en de toepassing van de relevante wetsartikelen uit de Abw en WWB.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het bestreden vonnis voor zover het de rechtsgevolgen in stand liet en bepaalt dat het College opnieuw beslist over de intrekking en terugvordering van bijstand.