ECLI:NL:CRVB:2006:AY9953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel verlaging WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag
Appellant, werkzaam bij de Stadsregio Rotterdam, werd ontslagen wegens ongeschiktheid na een periode van disfunctioneren en ziekte. Hij vroeg een WW-uitkering en een bovenwettelijke uitkering aan, die beide werden geweigerd vanwege verwijtbare werkloosheid. De maatregel werd gematigd tot een korting van 35% gedurende 26 weken vanwege onvoldoende reïntegratie-inspanningen van de werkgever.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door onvoldoende functioneren en het negeren van waarschuwingen. De Raad overwoog dat het UWV terecht rekening hield met de maatregel bij het vaststellen van het voorschot op de uitkering.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank, oordeelt dat het College bevoegd was een voorschot op de bovenwettelijke uitkering toe te kennen, en wijst erop dat na definitieve beslissing over het ontslag het recht op uitkering definitief zal worden vastgesteld. Proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De maatregel van verlaging van de WW-uitkering met 35% gedurende 26 weken wordt bevestigd.