ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0154
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Algemene Bijstandswet (Abw) en later de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van een melding dat zij een gezamenlijke huishouding zou voeren met haar partner, voerde de sociale recherche een onderzoek uit. Hieruit bleek dat appellante en haar partner feitelijk samenwoonden en een kind hadden, wat zij niet aan het College had gemeld.
Het College besloot de bijstand over de periode van 13 maart 2003 tot en met 31 juli 2004 in te trekken en de over die periode ontvangen bedragen terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de gezamenlijke huishouding aanwezig was ondanks het feit dat appellante en haar partner op verschillende adressen stonden ingeschreven, omdat zij feitelijk samenwoonden. De verklaringen van appellante en haar partner werden als betrouwbaar beschouwd. De Raad bevestigde dat het College bevoegd was tot intrekking en terugvordering op grond van de WWB en dat het College in redelijkheid tot volledige terugvordering kon besluiten.
Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens geweigerd. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 september 2006.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.