ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- P.H. Hugenholtz
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeid tijdens detentie voor WW-uitkering en referteperiode verlenging
De zaak betreft de vraag of arbeid verricht tijdens detentie in een Huis van Bewaring kan worden aangemerkt als arbeid in de zin van de Werkloosheidswet (WW) en of de periode van arbeidsongeschiktheid tijdens detentie kan leiden tot verlenging van de referteperiode van 52 weken.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de arbeid die de betrokkene tijdens zijn detentie verrichtte niet valt onder een dienstbetrekking of arbeidsverhouding zoals bedoeld in de WW. De setting van detentie overheerst zodanig dat de gebruikelijke definities niet toepasbaar zijn. Tevens oordeelde de Raad dat de ziekteperiode tijdens detentie niet buiten aanmerking mag worden gelaten bij het vaststellen van de referteperiode, omdat de betrokkene door detentie reeds feitelijk niet kon werken.
De Raad benadrukte dat artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW restrictief moet worden uitgelegd en dat verlenging van de referteperiode alleen mogelijk is als de werknemer uitsluitend wegens ziekte niet kon werken. De afwijzing van de WW-uitkering door appellant werd daarmee bevestigd en de eerdere uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: De afwijzing van de WW-uitkering wordt bevestigd en de eerdere uitspraak van de rechtbank vernietigd.