ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0952
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde autohandel en niet-medewerking reïntegratie
Appellant ontving bijstand sinds 1997 en kreeg deze ingetrokken over verschillende periodes wegens niet gemelde handel in auto's en het niet meewerken aan een reïntegratietraject. Het College van Zoetermeer had bijstand ingetrokken over oktober en november 2003 en januari 2004 vanwege niet gemelde transacties in auto's, en vanaf januari 2004 wegens weigering medewerking, niet voldoen aan sollicitatieplicht, verblijf in het buitenland zonder toestemming en vermoedens van valsheid in geschrifte.
De Raad oordeelde dat de intrekking over oktober 2003 tot en met januari 2004 terecht was omdat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door de autohandel niet te melden. Voor de periode vanaf 1 februari 2004 tot en met 9 juni 2004 was de intrekking echter onvoldoende gemotiveerd; de Raad verwierp de gronden van het College zoals weigering medewerking en verblijf in het buitenland zonder toestemming als basis voor intrekking.
De Raad stelde vast dat appellant ook voor de periode 1 februari tot en met 3 mei 2004 zijn inlichtingenplicht had geschonden door onduidelijkheid te verschaffen over zijn verblijf in Syrië, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De intrekking over deze periode blijft daarom in stand. Voor de periode vanaf 4 mei 2004 moet het College een nieuw besluit nemen. Tevens werd het College veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: De intrekking van bijstand over oktober 2003 tot en met januari 2004 wordt bevestigd, de intrekking vanaf 1 februari 2004 vernietigd voor het deel na 3 mei 2004, en het College wordt veroordeeld in proceskosten.