ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verlaging bijstand wegens weigering passende arbeid zonder recidive
Appellant werd geconfronteerd met een maatregel van 100% verlaging van zijn bijstand over de periode van 4 mei 2004 tot 22 juni 2004 wegens weigering passende arbeid. Het College van burgemeester en wethouders van Zoetermeer had deze maatregel opgelegd en verlengd, met het argument dat appellant zich binnen 12 maanden opnieuw schuldig had gemaakt aan een verwijtbare gedraging.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het College het besluit had moeten baseren op artikel 18, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), aangezien artikel 14 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw) per 1 augustus 2004 was komen te vervallen. De Raad stelde vast dat het besluit van 13 maart 2007 niet deugdelijk was gemotiveerd en vernietigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad overwoog dat het College geen grond had voor een verdubbeling van de duur van de maatregel, omdat er geen eerdere maatregel binnen 24 maanden was opgelegd. Ook was de verlaging van 100% passend volgens het sanctieregime. Verder werd vastgesteld dat appellant op 4 en 18 mei 2004 passende arbeid in de tuinbouw had geweigerd zonder dat medische of andere redenen dit konden rechtvaardigen.
De Raad legde de bijstandverlaging vast op 100% voor de periode van 4 mei tot 4 juni 2004 en veroordeelde het College tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten aan appellant. Het College werd tevens veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De bijstand van appellant wordt met 100% verlaagd over de periode van 4 mei tot 4 juni 2004, zonder verdubbeling, en het College wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.