ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3481
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vrijval fiscale oudedagsreserve als inkomen voor WAZ-uitkering
Appellant, een zelfstandig melkvee- en vleesvarkenshouder, ontvangt sinds 2000 een WAZ-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2003 bedroeg zijn winst uit onderneming €6.893, samengesteld uit een negatieve winst en een vrijval van de fiscale oudedagsreserve (FOR). Het UWV besloot de WAZ-uitkering te verlagen op grond van deze inkomsten. Appellant stelde dat de vrijval van de FOR geen inkomen uit arbeid is en dat dit niet meegewogen mag worden.
De Raad overweegt dat de fiscaal verantwoorde nettowinst als inkomen uit arbeid geldt, tenzij bijzondere omstandigheden dit uitsluiten. De vrijval van de FOR vertegenwoordigt inkomen en kan niet worden genegeerd, ook al staat er geen directe arbeid tegenover. De opbouw van de FOR is immers gebaseerd op eerder genoten arbeidsinkomen. Bovendien is het fiscale regime vóór 2001 gunstig geweest voor de berekening van het maatmanloon, wat appellant ook heeft benut.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen. De beslissing onderstreept het belang van een brede interpretatie van inkomen uit arbeid bij de WAZ, inclusief fiscale mutaties zoals de vrijval van de FOR.
Uitkomst: De vrijval van de fiscale oudedagsreserve wordt als inkomen uit arbeid beschouwd en leidt tot verlaging van de WAZ-uitkering.