ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4884
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand wegens niet-woonachtig op opgegeven adres
Appellant verzocht bijzondere bijstand voor de kosten van een bril en griffierecht, maar het College wees dit af wegens twijfel aan zijn woonplaats op het opgegeven adres. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en beval een nieuw besluit. Het College voerde een onderzoek uit waaruit bleek dat appellant niet op het opgegeven adres woonde. Het bezwaar werd daarom opnieuw ongegrond verklaard.
De Raad oordeelde dat de Wet werk en bijstand (WWB) van toepassing was op het besluit, ondanks het bezwaar dat vóór 1 januari 2004 was ingediend. De beslistermijn voor het College werd overschreden, maar dit was een termijn van orde zonder sancties. De woonplaats van appellant werd vastgesteld aan de hand van concrete feiten, waarbij het huurcontract en inschrijving in het GBA niet doorslaggevend waren. Diverse waarnemingen en huisbezoeken toonden aan dat appellant niet woonde op het opgegeven adres.
Appellant had zijn inlichtingenplicht geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag en zag geen reden voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De afwijzing van de bijzondere bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet woonde op het opgegeven adres.