ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand na haar echtscheiding, maar het College van B&W van Utrecht stelde na een onderzoek vast dat zij en haar ex-echtgenoot samenwoonden, wat zij niet had gemeld. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 14 februari 2000 tot en met 30 november 2004.
De Raad oordeelt dat voor de periode tot 22 oktober 2003 de intrekking op een onjuiste wettelijke grondslag berust, omdat het huwelijk toen nog niet was ontbonden en eerst moest worden beoordeeld of sprake was van duurzaam gescheiden leven. De rechtbank had dit niet onderkend, waardoor de uitspraak wordt vernietigd. Desondanks blijven de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat uit het onderzoek blijkt dat appellante en haar ex-echtgenoot niet duurzaam gescheiden leefden.
Voor de periode van 23 oktober 2003 tot en met 5 januari 2005 is vastgesteld dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, wat zij niet had gemeld, waardoor de intrekking en terugvordering terecht zijn. Het hoger beroep faalt voor dit deel. De Raad veroordeelt het College in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering wordt deels vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en de terugvordering wordt bevestigd.