ECLI:NL:CRVB:2007:BA4399
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit intrekking bijstand wegens overschrijding vermogensgrens
Appellant ontvangt sinds 1986 bijstand en werd door het College onderzocht nadat de Belastingdienst meldde dat hij twee bankrekeningen had met een saldo dat de vermogensgrens overschreed. Het College trok de bijstand over een periode in en vorderde de kosten terug. De rechtbank vernietigde het besluit deels vanwege een onjuiste vermogensgrens en beperkte periode van intrekking.
In hoger beroep betwist appellant dat hij een schuld aan zijn broer heeft en dat het spaargeld voortkomt uit bijstand. De Raad stelt dat het saldo op de rekeningen tot het vermogen behoort tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet zo is. Schulden kunnen alleen worden meegeteld als het bestaan en de terugbetalingsverplichting voldoende zijn aangetoond.
De Raad oordeelt dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schuld aan zijn broer bestaat en dat het spaargeld uit bijstand is opgebouwd. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het nieuwe besluit van het College wordt geacht een besluit in de zin van de Awb te zijn. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van bijstand bevestigd.