ECLI:NL:CRVB:2007:BA7777
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning langdurigheidstoeslag na onjuiste afwijzing door gemeente
Appellante, geboren in 1945, diende op 16 november 2004 een aanvraag in voor een langdurigheidstoeslag op grond van artikel 36 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oost-Gelre wees deze aanvraag bij besluit van 25 januari 2005 af omdat bij de laatste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling een arbeidsdeskundig onderzoek had plaatsgevonden. Het bezwaar tegen dit besluit werd eveneens ongegrond verklaard en de rechtbank Zutphen bevestigde deze beslissing.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het arbeidsdeskundig onderzoek een toekenning van de toeslag uitsloot. Uit de gegevens van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bleek dat appellante geen reële verdiencapaciteit had, wat volgens de Raad voldoende is voor toekenning van de toeslag. De Raad vernietigde daarom het besluit van 27 juni 2005 en verklaarde het beroep gegrond.
De Raad stelde vast dat appellante ook aan de overige voorwaarden van artikel 36, vierde lid, WWB voldeed over de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2003. De toeslag werd toegekend met ingang van 1 januari 2004 tot het bedrag dat in dat jaar gold voor een alleenstaande. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De langdurigheidstoeslag wordt toegekend met ingang van 1 januari 2004 en het eerdere besluit wordt vernietigd.