ECLI:NL:CRVB:2007:BB1640
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen vanaf 1998 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een onderzoek van de sociale recherche bleek dat zij vanaf 1995 meerdere kentekens op hun naam hadden staan, zonder dit aan het College te melden. Hierdoor werd de inlichtingenverplichting geschonden.
Het College trok bij besluit van 26 juli 2005 de bijstand over de periode 2000-2004 in en vorderde de kosten terug. Bij besluit van 16 november 2005 werd het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit in haar uitspraak van 5 juli 2006.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het College het besluit niet in stand kan laten vanwege strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad stelt dat intrekking en terugvordering alleen gerechtvaardigd zijn voor de maanden waarin kentekenregistraties zijn beëindigd, omdat alleen dan aannemelijk is dat appellanten inkomsten hebben verworven.
De Raad wijst de toepassing van de zesmaanden-jurisprudentie af vanwege de schending van de inlichtingenverplichting. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten en moet een nieuw besluit nemen, waarbij ook het verzoek om vergoeding van kosten van rechtsbijstand wordt betrokken.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd en het College moet een nieuw besluit nemen.