ECLI:NL:CRVB:2016:3013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens schending inlichtingenplicht over autohandel en paardonderhoud
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf november 2007. Na anonieme meldingen over autohandel en het houden van een paard voerde de sociale recherche een onderzoek uit. Het college trok bijstand in over diverse periodes wegens schending van de inlichtingenplicht, met terugvordering van ruim €20.000.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten de schending van de inlichtingenplicht: de auto's waren voor eigen gebruik en het paard was eigendom van een derde die de kosten via hun dochter betaalde. De Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat sprake was van autohandel, waarbij appellanten geen melding hadden gedaan, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Ten aanzien van het paard concludeerde de Raad dat appellanten wel middelen hadden om het paard te onderhouden, ongeacht de herkomst, en dat zij dit hadden moeten melden. Echter, het college had ten onrechte het recht op bijstand over de gehele periode niet vastgesteld. De Raad schatte de maandelijkse kosten op €300,- en oordeelde dat appellanten recht hadden op aanvullende bijstand als zij tijdig hadden geïnformeerd.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit voor het deel over 2012, en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen. Tevens werden de kosten van appellanten aan het college opgelegd en het griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van bijstand over 2012 wordt vernietigd met opdracht tot nieuw besluit.