ECLI:NL:CRVB:2007:BB9698
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vaststelling eerste werkloosheidsdag en benadelingshandeling bij WW-uitkering
Appellant was op basis van een arbeidsovereenkomst voor 12 maanden in dienst bij Magnes B.V. Deze overeenkomst werd door de kantonrechter ontbonden met een ontbindingsvergoeding van een maandsalaris. Het UWV stelde de eerste werkloosheidsdag op 1 december 2005 en weigerde een WW-uitkering tot die datum, omdat appellant volgens het UWV een benadelingshandeling had gepleegd door geen hogere vergoeding te vragen die een langere fictieve opzegtermijn zou dekken.
De rechtbank Alkmaar verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar liet de vraag over de eerste werkloosheidsdag en de benadelingshandeling onbesproken. De Centrale Raad overweegt dat de eerste werkloosheidsdag op 1 november 2005 moet worden vastgesteld, omdat de ontbindingsvergoeding van een maand moet worden toegerekend aan de periode van 1 oktober tot 1 november 2005.
Verder oordeelt de Raad dat het niet vragen van een hogere ontbindingsvergoeding geen benadelingshandeling is, mede omdat het om een geregelde ontbinding gaat en geen aanwijzingen bestaan dat een hogere vergoeding haalbaar was. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en gelast het UWV opnieuw te beslissen. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente over de nabetaling.
Uitkomst: De Raad vernietigt het besluit van het UWV en stelt de eerste werkloosheidsdag vast op 1 november 2005, zonder dat sprake is van een benadelingshandeling.