ECLI:NL:CRVB:2009:BJ9325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens vermeende benadelingshandeling
Appellant was sinds 2004 in dienst als chauffeur en meldde zich in mei 2007 ziek vanwege knieklachten. Na een deskundigenoordeel werd hij per 8 augustus 2007 geacht zijn werk te kunnen hervatten, waarna hij enkele dagen werkte en vakantiedagen opnam. De arbeidsovereenkomst werd per 1 september 2007 ontbonden zonder vergoeding, in onderlinge overeenstemming tussen werkgever en appellant.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan die werd toegekend ingaande 3 september 2007, maar het UWV stelde de uitbetaling uit tot 1 oktober 2007 wegens een vermeende benadelingshandeling: appellant had volgens het UWV geen vergoeding gevraagd of de ontbinding later laten ingaan, terwijl de opzegtermijn tot 30 september liep.
De rechtbank wees het beroep van appellant af, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende had aangetoond dat een vergoeding of latere ontbindingsdatum haalbaar was. De Raad stelde vast dat de ontbinding in onderling overleg was geregeld en dat appellant geen verwijt kon worden gemaakt. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd en het UWV werd opgedragen opnieuw te beslissen, met vergoeding van kosten aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen over het bezwaar van appellant.