ECLI:NL:CRVB:2008:BC4478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WAO-aanvraag en loonsanctie bij onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
Appellant, werkzaam als loodsmedewerker, diende een WAO-aanvraag in die door het UWV werd afgewezen omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant stelde dat het UWV ten onrechte geen loonsanctie aan de werkgever had opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep betoogde appellant dat de WAO-aanvraag tevens een impliciet verzoek om loonsanctie was, wat de Raad verwierp op grond van de wettelijke tekst en jurisprudentie. Een loonsanctie kan alleen worden opgelegd na een afzonderlijk besluit op een expliciet verzoek.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht geen loonsanctie oplegde omdat appellant dit verzoek pas in bezwaar had ingediend. De bezwaren over het maatmanloon en de geschiktheid van functies werden deels niet behandeld omdat appellant deze had laten vallen. De Raad bevestigde dat de functies passend waren en dat de reductiefactor correct was toegepast.
Verder oordeelde de Raad dat de weigering van het UWV om een nieuw besluit op bezwaar te nemen gegrond was omdat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand had gelaten. Het beroep tegen deze weigering werd ongegrond verklaard. De Raad bepaalde dat het bezwaar tegen het niet opleggen van een loonsanctie als een apart bezwaar moet worden behandeld door het UWV.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht geen loonsanctie oplegde en verklaart het beroep tegen de weigering van een nieuw besluit op bezwaar ongegrond.