ECLI:NL:CRVB:2011:BR5110
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijstandsuitkering wegens onduidelijkheid gezamenlijke huishouding
Appellante vroeg op 31 oktober 2008 bijstand aan als alleenstaande ouder en gaf aan te wonen in een gekraakte woning zonder elementaire voorzieningen. Het College wees de aanvraag af en vorderde het voorschot terug, stellende dat appellante en de vader van haar kind een gezamenlijke huishouding voerden, omdat hij in een schuur op het terrein verbleef. De rechtbank bevestigde dit standpunt, stellende dat de schuur een bijgebouw was en geen zelfstandige woning.
In hoger beroep stelde appellante dat de schuur als zelfstandige woning moet worden beschouwd, mede omdat noch de woning noch de schuur waren aangesloten op gas, water of elektriciteit, en de schuur een eigen toegang had. De Raad oordeelde dat het College onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke bewoning van de schuur en dat het enkele feit dat spullen van de vader in de woning waren aangetroffen onvoldoende bewijs was voor een gezamenlijke huishouding.
De Raad vernietigde het besluit van het College en het vonnis van de rechtbank, en beval het College een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de bijstandsuitkering wordt vernietigd en het College moet een nieuw besluit nemen.