ECLI:NL:CRVB:2008:BC5389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens erfdeel na verkoop onroerend goed
Appellante ontving in 1999 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Na het overlijden van haar moeder op 2 maart 1999 ontving zij medio januari 2000 een erfdeel van f 334.440,-- uit de verkoop van een molen. Het College trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten van bijstand terug over de periode 2 maart tot 31 december 1999.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de terugvordering gegrond wegens onjuiste wettelijke grondslag, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De Centrale Raad vernietigde eerdere uitspraken en oordeelde dat het College bevoegd was tot terugvordering op grond van artikel 58 WWB Pro, omdat appellante vanaf januari 2000 over het erfdeel kon beschikken, wat de bijstand over de voorgaande periode onverschuldigd maakte.
Appellante voerde procedurele grieven aan en stelde dat het College onterecht terugvorderde en dat haar zus niet werd teruggevorderd, maar de Raad verwierp deze grieven. Ook het argument dat het bedrag gematigd moest worden wegens tijdige melding van het overlijden werd niet gegrond bevonden. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand over 1999 wegens ontvangst van een erfdeel na verkoop van onroerend goed.