ECLI:NL:CRVB:2008:BD6191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling einde opzegtermijn als besluit met rechtsgevolg onder de WW
Betrokkene was vanaf 7 februari 2006 in dienst bij een werkgever met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De werkgever stopte per 9 juni 2006 met werkzaamheden en werd op 23 augustus 2006 failliet verklaard. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde bij brief van 16 augustus 2006 zonder voorbehoud de opzegtermijn vast tot 18 juni 2006 en kende een voorschot toe.
Betrokkene maakte hiertegen geen bezwaar, maar diende later op 6 oktober 2006 bezwaar in tegen een besluit van 20 september 2006 over de betalingsverplichtingen. De rechtbank oordeelde dat de brief van 16 augustus 2006 slechts een mededeling was en geen besluit, waardoor het bezwaar tegen het latere besluit ontvankelijk was.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel en stelt dat de brief van 16 augustus 2006 wel een besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, omdat het gericht is op rechtsgevolg, namelijk de vaststelling van de opzegtermijn en daarmee de loondoorbetalingsverplichting. Het bezwaar tegen dit besluit is te laat en niet verschoonbaar, waardoor het besluit in rechte vaststaat. Het hoger beroep van appellant wordt gegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van 16 augustus 2006 is te laat en niet verschoonbaar, waardoor het besluit in rechte vaststaat.