ECLI:NL:CRVB:2009:BH2837
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat het Schattingsbesluit 2004 geen passend instrumentarium biedt en dat toepassing ervan leidt tot onrechtmatige ontneming van eigendom in strijd met artikel 1 van Pro Protocol nr. 1 bij het EVRM.
De rechtbank had het beroep van appellante tegen de intrekking van haar WAO-uitkering ongegrond verklaard omdat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. Het UWV verdedigde dit besluit en voerde aan dat de gronden van appellante deels niet ontvankelijk waren en dat de jurisprudentie de rechtmatigheid van het Schattingsbesluit bevestigt.
De Raad verwierp het primaire verweer van het UWV dat bepaalde gronden buiten behandeling moesten blijven en bevestigde dat het Schattingsbesluit 2004 een redelijke proportionaliteitsrelatie kent met het beoogde doel. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van zijn eerdere uitspraak van 10 juli 2008 en oordeelde dat het beroep op artikel 1 EP Pro faalt. Ook de door appellante ingebrachte statistische gegevens en medische onderzoeken, waaronder de fietsergometertest, overtuigden de Raad niet van het tegendeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering en verwierp het hoger beroep van appellante, zonder toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.