ECLI:NL:CRVB:2008:BD9274
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting op AOW-pensioen wegens niet-verzekering en schuldig nalatig zijn
Appellant maakte bezwaar tegen een korting op zijn AOW-pensioen die was toegekend omdat hij niet verzekerd was in de periode van 1957 tot 1965 en wegens schuldig nalatig zijn bij premiebetaling in 1990 en 1993. Na eerdere besluiten van de Sociale verzekeringsbank (Svb) en een gewezen uitspraak van de rechtbank Rotterdam, werd het hoger beroep behandeld door de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat het oorspronkelijke besluit over de korting in rechte onaantastbaar was geworden en dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die herziening rechtvaardigden. De Raad benadrukte dat bij duuraanspraken als de AOW een onderscheid moet worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst, waarbij het verleden slechts kan worden herzien bij nieuwe feiten.
Appellant voerde onder meer aan dat hij zich gediscrimineerd voelde en dat de korting onrechtvaardig was. De Raad stelde vast dat de korting in overeenstemming was met de wet en dat de rechter niet bevoegd is om de billijkheid van de wet te toetsen. Ook een beroep op discriminatieverboden werd verworpen. Ten aanzien van het schuldig nalatig zijn bij premiebetaling stelde de Raad vast dat dit reeds was vastgesteld en niet meer betwist kon worden.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en handhaafde de korting op het AOW-pensioen van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting op het AOW-pensioen van appellant wegens niet-verzekering en schuldig nalatig zijn.