ECLI:NL:CRVB:2023:1281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maximale compensatie transitievergoeding bij ziekte na twee jaar
De zaak betreft een hoger beroep van een stichting tegen een besluit van het UWV over de vaststelling van de vergoeding van een transitievergoeding aan een ex-werknemer die langdurig ziek was.
De ex-werknemer was sinds 2009 in dienst en viel in 2017 wegens ziekte uit. Het UWV kende een IVA-uitkering toe vanaf november 2019. De werkgever verleende eervol ontslag met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden en betaalde een transitievergoeding over de gehele duur van het dienstverband inclusief opzegtermijn.
Het UWV stelde de compensatie vast op een lager bedrag, omdat volgens artikel 7:673e lid 2 BW de vergoeding gemaximeerd is tot het bedrag dat verschuldigd is bij beëindiging na twee jaar ziekte, waarbij de opzegtermijn niet wordt meegeteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de stichting ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
De Raad oordeelt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze regeling en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en redelijkheid en billijkheid wordt verworpen. De compensatie blijft dus beperkt tot het bedrag dat geldt na twee jaar ziekte exclusief opzegtermijn.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de compensatie van de transitievergoeding is gemaximeerd tot het bedrag dat verschuldigd is bij beëindiging na twee jaar ziekte, exclusief de opzegtermijn.