Appellanten zijn gestart met het aflossen van hun studieschuld vóór 1 januari 2012 en kunnen daarom niet kiezen voor het nieuwe aflossingssysteem dat sinds 1 januari 2010 geldt. De minister heeft hun bezwaren tegen de vastgestelde draagkracht en aflosbedragen ongegrond verklaard, waarop de rechtbank het beroep afwees. In hoger beroep betoogden appellanten dat het onderscheid tussen oude en nieuwe debiteuren ongerechtvaardigd is en in strijd met internationale verdragsbepalingen.
De Raad overwoog dat de wetgever met de Wijzigingswet van 2009 het aflossingssysteem heeft vereenvoudigd en een cohortgarantie heeft ingesteld voor oude debiteuren, zodat zij niet geconfronteerd worden met nieuwe voorwaarden. Omdat appellanten al vóór 2012 zijn begonnen met aflossen, voldoen zij niet aan de voorwaarden om over te stappen naar het nieuwe systeem. De Raad oordeelde dat dit onderscheid gerechtvaardigd is vanwege administratieve en beleidsmatige redenen en dat er geen sprake is van een onrechtmatige ongelijke behandeling.
Hoewel de minister de gronden over ongelijke behandeling in bezwaar niet heeft betrokken, leidt dit niet tot benadeling van appellanten en verandert het de uitkomst niet. De Raad bevestigt daarom het bestreden vonnis, wijst het hoger beroep af en veroordeelt de minister in de proceskosten van appellanten.