ECLI:NL:CRVB:2010:BK8444
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden en beoordeling inlichtingenverplichting
Appellant en appellante ontvingen bijstand volgens de WWB, waarbij appellant tot 6 mei 2006 een alleenstaande norm ontving en appellante als alleenstaande ouder. Na een anonieme tip startte de gemeente Amsterdam een onderzoek naar niet gemelde inkomsten van appellant uit werkzaamheden sinds 1 januari 2005. Tijdens een hoorzitting op 6 december 2006 verklaarde appellant deze werkzaamheden te hebben verricht, wat leidde tot een besluit van het College tot intrekking van bijstand vanaf die datum.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, maar in hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt de Nederlandse taal niet te beheersen of dat zij een tolk hadden gevraagd. De verklaring van appellant werd als betrouwbaar beoordeeld, mede omdat deze consistent was met het onderzoek en aangetroffen bewijs zoals een visitekaartje van een groothandel in verpakkingsmaterialen.
De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden vanaf 6 mei 2006 en dat het College terecht de bijstand vanaf die datum introk. Echter, voor de periode 1 januari 2005 tot 6 mei 2006 kon appellante niet worden verweten de inlichtingenverplichting te hebben geschonden, zodat het College niet bevoegd was haar bijstand over die periode in te trekken. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor dit deel en het besluit van het College herroepen. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: Besluit tot intrekking bijstand appellante over periode 1 januari 2005 tot 6 mei 2006 vernietigd, intrekking voor appellant vanaf 6 mei 2006 bevestigd.