ECLI:NL:CRVB:2008:BG1396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- C.P.J. Goorden
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding en terugvordering toeslagen
Appellant ontving toeslagen op grond van de Toeslagenwet (TW) vanaf juni 2000, waarbij het UWV uitging van een alleenstaande status. Later werd vastgesteld dat appellant op hetzelfde adres woonde als de moeder van zijn erkende zoon, waardoor het UWV het onweerlegbare rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding toepaste en toeslagen met terugwerkende kracht introk en terugvorderde.
De rechtbank verklaarde het rechtsvermoeden van toepassing en oordeelde dat appellant geen recht had op toeslagen, maar stelde de terugvorderingsbedragen onvoldoende gespecificeerd vast. In hoger beroep stelde appellant dat het rechtsvermoeden onredelijk en discriminerend was en dat hij feitelijk geen gezamenlijke huishouding voerde.
De Raad stelde vast dat appellant en zijn ex-partner hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en een erkend kind hadden, waardoor het rechtsvermoeden van toepassing was tot het kind 18 jaar werd. Daarna geldt het rechtsvermoeden niet meer, omdat het kind zelfstandig wordt geacht te functioneren. De Raad oordeelde dat terugvorderingen vanaf de 18e verjaardag van het kind onterecht zijn en vernietigde de bestreden besluiten voor zover zij daarop betrekking hadden. Het UWV moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het onweerlegbare rechtsvermoeden geldt tot het 18e levensjaar van het kind; terugvorderingen na die datum zijn onterecht en de besluiten worden vernietigd voor die periode.