ECLI:NL:CRVB:2008:BG3718
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering bij anticumulatie met terugwerkende kracht
Appellant, een vrachtwagenchauffeur, meldde zich in april 1999 arbeidsongeschikt en ontving vanaf april 2000 een WAO-uitkering, aanvankelijk berekend op 65-80% arbeidsongeschiktheid, later verhoogd naar 80-100%. Gedurende de periode 2000-2002 verrichtte hij werkzaamheden als chauffeur en gaf zijn inkomsten aan het UWV door. Het UWV paste artikel 44 WAO Pro toe en kortte de uitkering over de periode 2000-2002 vanwege inkomsten uit arbeid, waarna het een terugvordering instelde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat artikel 44 WAO Pro toepassing vond en de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen niet van toepassing was op artikel 44. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de Regeling wel van toepassing zou moeten zijn, of analoog, en dat het UWV had moeten toetsen aan het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en benadrukte dat artikel 44 WAO Pro anticumulatie voorschrijft zonder herziening of intrekking, ook met terugwerkende kracht. Het UWV volgt een bestendige gedragslijn die terugwerkende toepassing begeleidt via richtlijnen over wanneer het redelijkerwijs duidelijk was dat te veel werd ontvangen. De Raad oordeelde dat deze gedragslijn consistent is toegepast en dat geen sprake is van schending van het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep op belangenafweging op grond van artikel 3:4 Awb Pro faalde vanwege de dwingende aard van artikel 44 WAO Pro.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de WAO-uitkering door het UWV met toepassing van artikel 44 WAO.