ECLI:NL:CRVB:2008:BG6916
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatregel wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten voorafgaand aan WW-uitkering
Appellant, geboren in 1977, was sinds 2001 WAO-uitkeringsgerechtigd en kreeg na een herbeoordeling een verlaging van zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld. Naar aanleiding hiervan vroeg hij een WW-uitkering aan, waarbij het UWV een maatregel oplegde wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten voorafgaand aan de werkloosheid. De rechtbank vernietigde het eerste besluit wegens onvoldoende onderzoek naar verminderde verwijtbaarheid.
Het UWV mat vervolgens de maatregel naar 10% verlaging gedurende 16 weken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV terecht had gemotiveerd dat sprake was van verminderde verwijtbaarheid, maar geen volledige afwezigheid daarvan. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onjuist uitvoering gaf aan de eerdere uitspraak en dat de maatregel niet in verhouding stond tot de ernst van de gedraging.
De Raad overwoog dat verwijtbaarheid een vereiste is voor het opleggen van een maatregel en dat het UWV terecht de maatregel matigde vanwege onvoldoende duidelijke communicatie over de sollicitatieplicht. De Raad stelde vast dat appellant geen concrete sollicitatieactiviteiten had ontwikkeld en dat hij daarvoor wel verwijtbaar was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het betaalde griffierecht werd aan appellant vergoed.
Uitkomst: De maatregel wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten is gematigd en gehandhaafd met vergoeding van het betaalde griffierecht.