Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2019 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
Procesverloop
Overwegingen
Verder voert eiseres aan dat zij tijdens een telefoongesprek met verweerder kort na 15 juni 2016 heeft geconcludeerd dat haar situatie zou wijzigen naar ‘alleenstaande woningdeler’, maar dat deze omstandigheid niet kon worden aangekruist op het betreffende antwoordformulier. Enkel kon worden aangekruist alleenstaand te zijn, zonder mogelijkheid van een toelichting. De rechtbank leest deze stelling zo dat eiseres van mening is dat, als zij al de inlichtingenplicht heeft geschonden, haar dit niet valt te verwijten.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond voor zover dit ziet op de hoogte van de boete;
- vernietigt het bestreden besluit (het besluit van 7 augustus 2018) voor zover daarbij de boete is gehandhaafd op € 1.889,38;
- herroept het besluit van 23 februari 2018 waarbij de boete is opgelegd;
- stelt de boete vast op € 40,00 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit (het besluit van 7 augustus 2018);
- verklaart het beroep ongegrond voor het overige;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 1.034,70;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht ten bedrage van € 46,00 aan eiseres te vergoeden.