ECLI:NL:CRVB:2009:BH2394
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid
Appellant was sinds 1 februari 2003 als docent in dienst bij de werkgever. In mei 2007 verzocht de werkgever de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsrelatie. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 13 juli 2007 zonder vergoeding, omdat de oorzaak vrijwel geheel bij appellant lag.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid, gebaseerd op het standpunt dat sprake was van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW Pro. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de ontbinding een dringende reden inhield.
In hoger beroep stelde appellant dat uit de beschikking van de kantonrechter niet blijkt dat sprake is van een dringende reden. De Raad oordeelde dat de rechtbank het standpunt van het UWV onvoldoende heeft getoetst en dat de beoordeling van de dringende reden materieel moet plaatsvinden aan de hand van artikel 7:678 BW Pro.
De Raad concludeerde dat de kritiek van de werkgever niet werd ondersteund door functioneringsverslagen of rechtspositionele maatregelen en dat geen sprake was van een gedraging die ontslag op staande voet rechtvaardigde. Daarom was er geen dringende reden en was het besluit van het UWV onjuist. Het besluit werd vernietigd en het UWV werd opgedragen opnieuw te beslissen, met vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd en het UWV moet opnieuw beslissen.