ECLI:NL:CRVB:2009:BH5449
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beschikbaarheid voor arbeid bij WW-uitkering geweigerd wegens ontbreken feitelijke beschikbaarheid
Appellant was sinds 1999 werkzaam als algemeen medewerker en meldde zich in 2003 ziek. Na een arbeidsconflict hervatte hij zijn werk niet en werd op 12 mei 2004 op staande voet ontslagen. Hij meldde zich pas in september 2005 als werkzoekende en vroeg in november 2005 een WW-uitkering aan.
Het UWV weigerde de uitkering omdat appellant niet beschikbaar was voor arbeid op de datum van ontslag. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat appellant geen sollicitatieactiviteiten of feitelijke beschikbaarheid had aangetoond rond mei 2004. Appellant voerde aan wel beschikbaar te zijn geweest, onder meer door inschrijving bij uitzendbureaus en informele werkzoekactiviteiten.
De Raad overwoog dat feitelijke beschikbaarheid vereist is en dat inschrijving bij uitzendbureaus uit 2001 zonder verdere acties onvoldoende is. Omdat appellant niet overtuigend aantoonde dat hij op 12 mei 2004 beschikbaar was, werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; appellant was op 12 mei 2004 niet feitelijk beschikbaar voor arbeid en heeft geen WW-uitkering recht.