ECLI:NL:CRVB:2009:BI0285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen werkzaamheden en terugvordering
Appellanten ontvingen sinds 2000 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een melding in 2005 dat appellant werkzaamheden verrichtte in het garagebedrijf van zijn zoon, stelde de sociale recherche een onderzoek in. Het College trok de bijstand met ingang van 1 februari 2003 in vanwege verzwegen werkzaamheden en niet opgehelderde stortingen op de girorekening. Tevens werd een terugvordering van €50.100,35 opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, stellende dat zij de inlichtingenplicht hadden geschonden door het verrichten van werkzaamheden zonder dit te melden en door het niet verklaren van stortingen op de rekening. Appellanten voerden verweer, maar de Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen voldoende waren om het standpunt van het College te ondersteunen dat appellant gedurende de gehele periode werkzaamheden verrichtte die als op geld waardeerbaar moeten worden beschouwd.
De Raad verwierp de stelling dat de stortingen leningen waren vanwege het ontbreken van controleerbare gegevens. De Raad bevestigde dat het College bevoegd was tot intrekking en terugvordering op grond van de WWB en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en de terugvordering worden bevestigd wegens verzwegen werkzaamheden en schending van de inlichtingenplicht.